DOORVOELDBEWEGEN & MOE•SE

Waar ‘lokaal’ en ‘regionaal’ nog eenvoudig voor te stellen zijn - het gaat immers over delen van het lichaam - ligt dit toch wel anders bij ‘veralgemeende problematiek’. Het gehele lichaam heeft nu een boodschap. ‘Alles’ doet pijn, de vermoeidheid is er ‘steeds’. Er is sprake van centrale sensitisatie

De stap naar ‘oefenen’ als leermodel voor patiënten met chronische aspecifieke rugklachten.

You should stop treating your patients, teach them’ galmde Alf Nachemsson’s stem door de Hallen van Brugge. Gedaan met passieve therapie, er moest worden geoefend, willen of niet. Hoe dan wel? Graded, op maat dus en stelselmatig. Kort gesteld, er wordt bij intake een basisniveau vastgesteld van de mogelijkheden van de patiënt. Daarop wordt een marge van 20 procent ingesteld om veilig te starten. Dan werden de doelen vastgelegd die binnen een periode van minimum 8 en maximum 14 weken kunnen worden bereikt. Zo worden ‘quota’ berekend die per week dienden te worden bereikt om het doel van dat samen opgestelde plan te bereiken. De patiënt wordt gevraagd om niet minder doch ook niet meer te doen. Een en ander was dus niet vrijblijvend.

Met mijn gebrekkige kennis van de Zweedse taal was ik - op bezoek in het centrum waar Nachemsson’s patiënten werden begeleid onder leiding van Ingalil Lindstrom - in staat te verstaan hoe met de patiënt werd gecommuniceerd. Alle opmerkingen van de patiënt werden quasi ‘genegeerd’ met een voor Zweden typisch ‘ja-ha’ of ook met ‘mmhhh mmhhh’. Wel met een grote ‘compassie’ die lichamelijk werd geuit door de therapeut. De kern van de zaak was echter een kader van niet vrijblijvendheid. De duidelijke afspraken welke van bij aanvang werden gemaakt werden steeds gehandhaafd.

Bij chronische aandoeningen is er inderdaad nood aan een andere aanpak dan bij acute. Belangrijk is dat er geen specifieke toestellen nodig zijn om deze therapie te kunnen toepassen. Door enerzijds extinctie (= uitdoven van pijngedrag) en shaping (= belonen voor het volgen van de samen uitgewerkte quota) bereikt de patiënt zijn doel. Bij toepassing van GET op chronische lokale problemen liep alles meestal wel vlotjes. 

Toepassing van deze principes binnen een veel minder duidelijke Belgische context en bij problematiek die vaak niet als zuiver ‘lokaal’ viel te definiëren, leerde ons echter iets fundamenteels. Van zodra er sprake was van centrale problematiek, van een sensitisatie van het gehele lichaam onder welk label dan ook (autonome disfunctie, spasmofilie, fibromyalgie en / of CVS) liep het vaak mis. 

Aan de slag weerom. Opheffen van niet functionele gewoonten vergt een ander leerproces dan het leren van een nieuw. Tijdens alle mogelijke opleidingen had ik geleerd patiënten meer te laten doen, echter nooit werd er gesproken over hoe ‘anders bewegen’ kon worden aangeleerd. 

Tijdens een lezing voor de Biotensegrity Interest Group in Munchen, Duitsland in 2011 resumeerde ik een en ander tot drie axioma’s

• 1 De thuistijd (99% van de tijd) is belangrijker dan die doorgebracht in de praktijk (1% van de tijd). De patiënt wordt aangeleerd wat er thuis, op het werk... kan gebeuren om herstel te bevorderen

• 2 Hoe we bewegen is belangrijker dan hoeveel. Er dient dus gewerkt te worden op basis van de vòòrbewuste readiness-potentialen (Benjamin Libet), niet middels bestaande disfunctionele actiepotentialen. Dit impliceert dat ‘juist’ bewegen bij aanvang als vreemd zal worden aangevoeld. ‘Gebruikelijk’ is immers geen synoniem van ‘normaal’.

• 3 Een nieuwe biomechanica. De biomechanica zoals geformuleerd door Borelli in 1680 wordt vervangen door een recentere op basis van tensegriteit. We hebben Dr. Steve Levin vaak ontmoet, zie zeker www.biotensegrity.com.

Hier volgt wat meer uitleg. 

Een andere voorbereiding van de beweging: de (neurologische) waarden aanwezig vòòr er bewogen wordt dienen te worden gewijzigd. 

Gezien het cerebellum de code ‘niet’ niet kent, heeft het geen zin om de patiënt te zeggen wat hij niet moet doen. De koppeling perceptie / (re)actie - ook al maakt ze de gewoonte uit - dient te worden gewijzigd. Dat kan niet door talige hints of opdrachten, deze bereiken het brein te laat, na dat de voorwaarden (letterlijk de waarden ervoor) al zijn bepaald voor diezelfde beweging. 

We moesten dus op zoek gaan naar hints (in het Engels cues) die inwerkten vòòr het door Libet beschreven moment, vòòr de readiness potentiealen. De door ons gecodeerde hints, we noemen ze representatie manipulerende cues (RMCs), geven de patiënt de mogelijkheden om een meer economisch en ergonomisch bewegingstraject in te zetten. De patiënt moet dus zichzelf een code geven vooraleer zichzelf een toestemming te geven tot het starten van de beweging. RMCs steunen op de principes van de moderne bewegingswetenschap. Men stelt ook daar dat het geen zin heeft om ‘je best te doen’, om te ‘oefenen’, als de eigen lichaamsrepresentatie niet passend is. De focus mag dus niet op het lichaam zelf, of op de beweging zelf liggen, wel op iets ‘extern’s’, dit bevordert de economie van de beweging en dus van het functioneren. 

Mediatie. Het lichaam van de patiënt zelf is het medium via het welke het nieuwe patroon zal ontstaan. Het lichaam dat op dergelijke wijze een beweging opstart ‘voelt’ onmiddellijk dat er een ander patroon kan gerealiseerd worden. Bewegend leren dus, niet uit boekjes. Via priming, zo noemt men de fysiologie die aan de basis ligt van deze techniek. Geldt hetzelfde niet voor zwemmen? 

De patiënt krijgt bij DoorvoeldBewegen© dus een ‘uitnodiging’ in plaats van een ‘opdracht’. Door acht études (études bestaan ook in de muziek en de dans) leert de patiënt energiezuinige, dagdagelijkse bewegingspatronen aan. De door de patiënt gebruikte bewegingsbaan wordt - indien nodig - zeer licht manueel bijgestuurd (touch training). 

Herhaling. De patiënt, eerst leerling, wordt progressief zijn eigen tutor. Hij leert zichzelf via de aangeleerde hints om beter / juister te anticiperen. Daar moet in de thuistijd veel aandacht worden aan besteed. Van onbewust onbekwaam, via bewust onbekwaam en via bewust bekwaam tot uiteindelijk onbewust bekwaam. Een heel proces dus. In de eerste fase is daarvoor dagelijkse, formele aandacht nodig (7/7 geeft betere resultaten dan 5/7. Als in het WE geen formele aandacht wordt gegeven aan het geleerde, start de patiënt op maandag terug op het niveau van vorige woensdag).

De patiënt wordt dus niet meer gezien als het gevolg van een voorbije geschiedenis, wel als een volwaardig individu die kan werken aan een andere, betere toekomst. Leuk is dan ook de uitspraak van Wim T. Schippers betreffende uithoudingsvermogen. Hij stelt: “dit is het vermogen dat je uit je houding haalt”. Niet te verwonderen dat patiënten de études dan ook vaak attitudes noemen! Dit alles in een kader waarin de patiënt de nodige structuur kan aanbrengen in week- en dagplanning. Liefst in een opgeruimde context.

Progressief worden verder ook specifieke beelden aangeboden (motor imagery en whole body imagery, zie verder). Theo Mulder stelde het zo: mochten beelden geen sterke invloed hebben, dan bestond pornografie niet. Beelden dus. Maar wel specifieke. Getekend door John A. Appleton.

Een beeld is XXXXXXXXX woorden waard.

Mijn vriend John tekende beelden die ik erg nuttig vond om te gebruiken bij patiënten met disfunctionele bewegingspatronen. We geven hier één voorbeeld om aan te geven wat John’s werk omhelst: DV relation

The dorsal-ventral relationship – in relation to the self and other, independent of gravity. The horizontal archetypal creature to the top above demonstrates such a relationship and the creature on the bottom does not. The one on the bottom shows the reverse relationship, a more contracted dorsal and more expanded ventral surface.

Vele patiënten vertonen een wijze van houden en bewegen zoals het rechter archetype. Herken je de patiënt die steeds klaar is om zijn best te doen, zijn hoofd in zijn nek trekt en zijn schouders optrekt? Tracht zelf maar eens te voelen wat er gebeurt met je lichaam bij het willen ‘na-apen’ van het linker plaatje.

De omgeving zit in ons en wij zitten in de omgeving stelt Theo Mulder, een reden voor ‘Fase 1, DoorvoeldBewegen©’ en pas later ‘fase 2, MOE•SE’.

Fase 1 omvat het aanleren van het hierboven beschrevene in een veilige context. In de Bewegingspraktijk, in een redelijk neutrale ruimte. Zonder veel afleiding, zonder aanwezigheid van apparatuur die de patiënt kan aanvoelen als ‘ik moet mijn best doen’, of ‘waarvoor dienen al die toestellen? Deze fase omvat ook de thuissituatie, op een plaats die uitnodigend is om tot de nodige rust te komen. Een opgeruimde ruimte. 

Pas als de patiënt zichzelf in een veilige ruimte de nodige hints kan geven is het zinvol naar fase twee over te schakelen. Bedoeling is zich dezelfde hints te geven in een context die als onveilig wordt aangevoeld. Om welke reden ook. 

De aanvang van tweede fase betreft specifieke dubbel- en drievoudige taaktraining. Technieken om de ondertussen ontstane vaardigheden te automatiseren in diverse, voor de patiënt moeilijke contexten. Deze kunnen betrekking hebben op ervaringen 'buiten' het lichaam (familiale, werkomgeving,...) of ‘binnen’ het lichaam (automatisch negatieve gedachten, ongeuite emoties,..). Vaak heeft het lichaam onthouden wat ‘de geest’ niet meer weet. Diverse bezoeken aan het centrum voor gefolterden in Kopenhagen wezen ons de weg bij een patiëntenpopulatie waarvan de oorzaak duidelijk in het verleden lag doch waar het lichaam nog steeds duidelijke tekenen gaf van het gebeurde. We ontwikkelden strategieën om dat op een veilige wijze ten gunste te beïnvloeden. Het werk van Dr. Peter A. Levine heeft ons daarbij erg geholpen. 

En daarna? Jazeker, GET, de patiënt is er nu klaar voor. Hij vormt zijn bewegingen op een gepaste wijze en kan rustig aan zijn conditie werken. De klassieke valkuil, oorzaak van drop-out werd immers omzeild. We leren je een gesloten programma opstellen. Wekelijkse quota berekenen en opvolgen. Verder ook de Dart procedures, een ideale manier om de type 1 spiervezels te trainen op uithouding.

Of toch niet? Zie het MOE.SE programma en de rol van de context.

Het verschil tussen de études van DoorvoeldBewegen en GET / oefenen.

Motorisch leren vraagt om expertise, zowel van de therapeut als van de patiënt. Wanneer het voor beiden de bedoeling is om tot relatief duurzame veranderingen te komen in hoe patiënten zich houden en hoe ze bewegen is ons inziens klassieke oefentherapie in een eerste fase niet geschikt. 

De wijze van houden en bewegen kan maar gewijzigd worden middels het automatiseren van nieuwe (en dus voor de patiënt bij aanvang steeds vreemde) perceptie-actie koppelingen. 

ETUDES vs GET / OEFENEN

impliciet leren • expliciet leren

endogeen gestuurd  • exogeen, visueel gestuurd

tensegrale kwaliteit primeert • ‘hefboom / gewricht’ georganiseerd

niet nociceptische info • aandacht voor nociceptische info

aandacht voor de hint van de tutor • aandacht voor de bewegingsopdracht

aandacht voor de functie • aandacht voor het lichaam

aandacht voor de wijze waarop • aandacht voor het einddoel

laten gebeuren • doen

niet oordelen • willen weten of de beweging juist is en of was

niet echt verstaan wat gebeurt • zijn best doen

licht voelen • goed gegrond voelen

verwondering als default • klaar zijn voor iets, meestal niet wetend waarvoor

fauwten mogen • moet juist zijn

de gemakkelijke weg • no pain no gain

ballans, evenwicht  • ‘strak in het pak’

niet beïnvloed door tweede taak • sterk beïnvloed door tweede taak 

niet stressgevoelig • sterk stressgevoelig

niet erg context gevoelig • context gevoelig

leren zet zich door na de begeleiding • leren stopt bij beëindigen van begeleiding

slaap consolideert • slaap doet het geleerde afnemen

interne locus of control • externe locus of control

voor-verbeelden • nadenken

anticipatie •controle

van rechts naar links in het brein • van links naar rechts

bottom up • top down

van achter naar voor • van voor naar achter

antifragiel (Nassim Taleb) • fragiel, robuust

en tot slot, met dank aan Dr. Hugo Stuer:

leerspel, spelend leren • de moeilijke weg

Meer praktische info onder het laatste tabblad OPLEIDINGEN.

 

“© copyright – Jan b Eyskens – 2014”